Jean-Antoine Watteau, die veel te vroeg stierf, was een van de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd.

Hij ging de culturele geschiedenis in als de grondlegger van de Franse rococoschilderkunst, waarvoor hij als eeuwige buitenstaander zowel een impuls als een uiterste prestatie was.

 

Zijn werken worden gekenmerkt door een droefheid die in schijnbare tegenspraak is met de door hem gekozen objecten en die al zijn werken omhult met de uitstraling van een delicate melancholie.

Misschien was het de kennis van zijn vroege dood die hem dwong om deze zang- en dansliefhebbers te tonen in al hun ogenschijnlijke vreugde, maar altijd in de kennis van hun einde.

 

Dit verdriet kan men ook ontdekken in zijn schilderij “Fête champêtre”, dat in Nogent-sur-Marne werd geschilderd.

In het midden van het schilderij zit een jonge vrouw in een galante outfit, bijna stralend in haar roze satijnen lijfje en witte rok. Op haar knieën houdt ze een muziekboekje vast, waarin ze lijkt door te bladeren, en naast haar zit een man met een gitaar, die op zijn keu lijkt te wachten.

Maar nergens is er zoiets als vreugde, want haar mond is stevig gesloten en haar blik is naar beneden gericht.

 

Aan haar zijde staat een dame in een roze jas, die haar rug naar ons toekeert. De houding van haar hoofd en de gelaatsuitdrukkingen van de man tegenover haar tonen afkeer, verdriet en overdaad. Misschien dat het een paar geliefden is die zich hebben gescheiden. Of misschien zijn het gewoon twee mensen die weten dat ze altijd vreemden voor elkaar zullen blijven.

Rechts van haar verdedigt een jong meisje zich tegen de strelingen van een jongeman. Maar het is geen liefdesrelatie. Het lijkt haar eerder een aanval waarvoor ze wil vluchten.

 

Men voelt dat er hier geen toevallige samenhorigheid is, geen vreugde en lichtheid, maar dat de mensen, hoewel samengesmolten door sociale conventies, hun eigen eenzame leven leiden.

Dat laat Watteau ons zien in zijn onmiskenbare handschrift.