Naast de bekendste literaire getuigenis van de Dertigjarige Oorlog, de “Simplicissimus” van Grimmelshausen, is er nog een tweede, niet minder interessante, getuigenis die tot voor kort onbekend was. Pas eind jaren tachtig ontdekte een historicus de geschriften van P. Hagendorf in de Pruisische Staatsbibliotheek en stelde ons dit belangrijke hedendaagse document ter beschikking.

 

Onmiddellijk na het einde van de oorlog koopt Peter Hagendorf twaalf vellen fijn papier aan en brengt zijn aantekeningen en herinneringen uit de veldkampen over in dit dagboek. Het bestrijkt de periode tussen 1625 en 1649, waarin hij als huurling meer dan 22.500 km door Europa heeft afgelegd.

Hij kwam, zoals zovele anderen, bij gebrek aan geld naar zijn “ambacht”. Toen hij ook zijn schoenen had verpand (“Daar was de wijn zo goed dat ik de schoenen vergat”), liet hij zich rekruteren.

 

De volgende 24 jaar heeft hij in verschillende legers gediend. Eerst in het regiment van de “Pappenheimer”, daarna onder de opperbevelhebber van de Katholieke Liga, Johann T’Serclaes von Tilly, onder wie hij in 1631 deelnam aan de belegering van Magdeburg.

In de loop van de tijd merkt men hoe de toon van het dagboek ruwer en ruwer wordt. “Acht dagen met kanonnen speelden goed samen met de kanonnen. Of tot een plundering: “Daar hadden we weer kerken gewijd!

Want het is een leven dat voortdurend schommelt tussen honger en gulzigheid, overwinning en nederlaag, ziekte en herstel.

 

Aan het einde van de oorlog wordt hij garnizoenssoldaat in Memmingen. Kort na het einde van de oorlog, op 26 september 1649, vertrok hij met zijn gezin door de Memmingenpoort. Blijkbaar wilde hij in Straatsburg gerekruteerd worden.

Maar hier verliest hij zijn spoor, want het dagboek breekt abrupt af.