Selecteer een pagina

Een van de ergste natuurrampen van het voorbije millennium, erger zelfs dan de overstromingen van 2013, was zonder twijfel de Magdalenavloed van 1342.

Het dankt zijn naam aan het feit dat de dag van de grote overstroming, 22 juli 1342, volgens de katholieke heiligenkalender Sint-Magdalena’s dag was.

 

De diepere oorzaak van deze ramp was een enorme weersverandering die Europa in die tijd trof.

Onderzoekers spreken tegenwoordig van de Kleine IJstijd, die begon in de jaren tussen 1275 en 1300, en waarin onder andere de zomers abrupt afkoelden.

Als gevolg daarvan had het continent te kampen met dramatische misoogsten, economische instortingen en hongersnoden. Bijzonder vermeldenswaard zijn bijvoorbeeld de Grote Hongersnood van 1315-17 (“De Grote Honger”) en de sprinkhaneninvasies, met name die van 1338.

 

De winter 1341/42 nu was ijskoud en bracht enorme hoeveelheden sneeuw. Toen de dooi plotseling inzette en de sneeuwmassa’s begonnen te smelten, leidde dit tot de eerste overstromingen, die de Judithbrug in Praag, de voorloper van de Karelsbrug, wegvaagden.

Nadat het voorjaar en de vroege zomer ook zeer nat waren geweest, kwam er uiteindelijk een hittegolf die de grond uitdroogde en korstte, zodat deze nauwelijks nog water kon opnemen.

 

Toen het eindelijk ging regenen, hoopten de mensen ten minste een deel van de oogst te kunnen redden.

Maar in de dagen van 19 tot 22 juli kwamen er zulke stortregens uit de lucht vallen dat de grond het water niet meer kon opnemen en de rivieren woeste stortvloeden werden.

Talloze huizen en andere gebouwen werden weggevaagd, bijna alle bruggen langs de grote rivieren zoals de Donau, de Rijn en de Main werden verwoest en alleen al in de Donauregio kwamen meer dan 6000 mensen om het leven.

 

Maar voor de landbouw waren de gevolgen nog verwoestender.

Want het water veegde de bodem weg en binnen een paar uur ging zo’n 13 miljard ton vruchtbare landbouwgrond verloren – een hoeveelheid waarvoor onder normale weersomstandigheden 2000 jaar nodig zou zijn.

Als direct gevolg daarvan ontstonden massale hongersnoden en werd het toch al verzwakte volk nog vatbaarder voor ziekten. Zo is het waarschijnlijk dat de overstroming ook de pestepidemieën van 1346 tot 1353 in de hand heeft gewerkt, die ongeveer een derde van de bevolking van het huidige Duitsland hebben weggevaagd.

 

Een getuige uit die tijd beschrijft de vloed als volgt:

“In die zomer was er zo’n grote inundatie van water over de hele omloop van de aarde van onze zone, die niet in stortregens ontstond, maar het leek alsof het water overal vandaan gutste, zelfs van de toppen van de bergen […. De Donau, de Rijn en de Main voerden torens weg, zeer sterke muren, bruggen, huizen en de bolwerken van de steden, en de sluizen des hemels werden geopend en regen viel op de aarde als in het 600ste jaar van Noachs leven. jaar van Noachs leven […], gebeurde het in Würzburg dat daar de Main met geweld over de brug sloeg en veel mensen dwong hun woningen te verlaten.”

 

(Bron: Curt Weikinn, Quellentexte zur Witterungsgeschichte Europas von der Zeitwende bis zum Jahr 1850, Akademie Verlag, Berlin 1958; vertaling door de auteur)