Selecteer een pagina

Wenen was aan het eind van de 19e eeuw onbetwistbaar de muziekhoofdstad van Europa.

Laat de andere landen rustig de rijkdom van de aarde onder hun nagels rukken, dan moet het Duitse naburige rijk zich verenigen en de koortsachtige razernij van een industrialisatie die alles wat oud is, wegvaagt, opgaan in de koortsachtige waanzin. Hier in Wenen bleef men bij het traditionele en was het de kunst en het mooie leven die voor de mensen het belangrijkst waren.

 

Dit denken ging door alle lagen heen. Zelfs de kleinste burger was niet alleen op zoek naar een goed glas wijn in “zijn wijnbar”, maar eiste ook mooie muziek. Iedere Weense wist welke militaire band het beste speelde, waar de mooiste liedjes stonden en wie er ‘s avonds op de Volksoper optrad.

 

 

Naast de Italianen waren de Weners de meest muzikale mensen van hun tijd. De liedjes klonken in alle straten, wasvrouwen hummelden de mooiste melodieën voor hun werk, muzikanten speelden uit hun werk toen de ramen open waren en de glimlach van een beroemde operazangeres was meer dan een koningsgroet.

Alleen in deze lucht kon een Schubert zijn stem verheffen, alleen hier kon een H. Wolf droom van Spanje of een J. Brahms het Weense classicisme weer doen herleven.

 

En waarschijnlijk kon alleen hier een van de meest lichtvoetige en verfrissende genres uit de muziekgeschiedenis ontstaan: de operette.