Selecteer een pagina

Toen de 35-jarige Tsjaikovski zijn eerste pianoconcerto aan Nikolai Rubinstein wilde opdragen, verborg hij zijn afkeer zo erg dat Tsjaikovski zijn uitnodiging introk en opdroeg aan Hans von Bülow, die het werk ook in première bracht.

 

Rubinsteins weigering blijft tot op de dag van vandaag onbegrijpelijk, want het werk blijft tot op de dag van vandaag ononderbroken populair, waarbij het begin zeker het meest bekend is. Een zinderende hoorn en krachtige tutti-akkoorden wisselen elkaar af, gevolgd door een levendige melodie gebaseerd op een Oekraïens volksliedje.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is dit echter niet het thema van het werk, maar slechts een deel van de vakkundig geconstrueerde inleiding. Wat een geweldig idee van de componist!

 

De bekendste interpretatie is zeker door de geniale Vladimir Horowitz. Het stuk kan nauwelijks intenser, extatischer en spannender gespeeld worden dan hij.

“Horowitz zou in de plaats komen van een plotseling zieke pianist. Hij vroeg om een glas melk, scheerde zich, haastte zich naar de concertzaal waar de symfonie net was afgelopen en de dirigent had geen idee of er überhaupt een solist zou komen. Hij kwam de kamer van de artiest binnen, keek nauwelijks naar de jonge pianist, zei met een paar woorden welke tempi hij zou nemen …
Al na het tweede akkoord staarde de dirigent de jonge vreemdeling aan en rende naar de vleugel. Het concert eindigde met een hysterisch succes, en de critici zeiden dat zo’n triomf in Hamburg sinds het verschijnen van Enrico Caruso niet meer was meegemaakt”.
(J. Kaiser)