Sinds de vroegste geavanceerde beschavingen was slavernij een belangrijke factor in het sociale en maatschappelijke weefsel van het Middellandse-Zeegebied, en in het Romeinse Rijk vormde slavernij zelfs een belangrijke pijler van de economie. Slavernij verwijst in het algemeen naar de toestand waarin mensen worden behandeld als het eigendom van anderen. Slaven werden niet als menselijke wezens beschouwd. In het Oude Nabije Oosten was slavernij al gedocumenteerd sinds het derde millennium voor Christus. In de meeste oude mediterrane culturen werd het een vaste, wettelijke instelling.

Men was in de oudheid slaaf, gewoonlijk door krijgsgevangenschap, deportatie, en ook door geboorte, dat wil zeggen gedurende verscheidene generaties. Het was mogelijk bevrijd te worden, en latere integratie in de maatschappij was niet uitgesloten. Slaven konden veel verschillende beroepen uitoefenen, van eenvoudige bedienden tot leraren en ambachtslieden tot staats- en tempelambten. Dit veranderde zelfs niet in het versterkende Romeinse Rijk.

Met de uitbreiding van hun invloedssfeer werden de Romeinen meer en meer gehelleniseerd, d.w.z. zij namen de Griekse cultuur over. In de late oudheid, kreeg het Christendom eindelijk de macht. De oude Romeinse cultuur met zijn traditionele waarden botste met het nieuwe ethos van het christendom. Decennia van conflicten tussen de verschillende wereldbeelden en filosofieën leidden uiteindelijk tot de ongekende opkomst van de Rooms-Katholieke Kerk in het afbrokkelende Romeinse Rijk.

In dit tijdperk, dat het einde van de oudheid zou inluiden, was een nieuwe tijdgeest ontstaan. Dit betekende echter niet het onmiddellijke einde van de oude orde.

 

Het Romeinse volk werd geconfronteerd met talrijke problemen en veranderingen in de overgang naar de late oudheid. De antieke wereld onderging een fundamentele gedaanteverandering en overbrugde zo de kloof naar de naderende Middeleeuwen. Slaven en slavernij waren nog steeds van economisch belang in de laat-antieke Romeinse wereld. Staatswetten regelden slavernij, maar maakten het ook menselijker in de loop der tijd. Tegelijkertijd begon echter ook de slavernij op grote schaal te veranderen.

In de late oudheid ontwikkelde de kerk zich tegelijkertijd van een vervolgde sekte tot een machtsfactor van betekenis. Als nieuwe staatsgodsdienst kon het christendom voortaan invloed uitoefenen op de keizer en het keizerrijk en daarmee – ook met het oog op de historische context op langere termijn – op de politiek en de economie van Europa.

Zo vertegenwoordigde ook Augustinus van Hippo (354-430), kerkvader en theoloog, een door en door patriarchaal basispatroon, dat hij echter interpreteerde als beoefende naastenliefde en sociale solidariteit. Wie voor zijn naaste zorgt, moet ook bepalen. Hij zag het bestaan van slavernij als deel van Gods wil en bepleitte het zelfs binnen het aardse leven, zolang de zorg van de meester voor zijn slaven de negatief geteisterde ondeugd van de “imperatiefheid” overtrof.

Augustinus handhaafde in zijn woorden en daden vaak een zeker evenwicht tussen een logisch pragmatisme en een idealistische christelijke houding. Zijn werken waren zeer invloedrijk en zijn theologisch-filosofische opvattingen beïnvloedden de Katholieke Kerk gedurende de Middeleeuwen en tot in de tijd van de Reformatie.

 

Het machtig geworden christendom integreerde zich in de laat-antieke wereld. Het handelde praktisch en in overeenstemming met de heersende tijdgeest. Dit had echter ook tot gevolg dat zij op geen enkel moment daadwerkelijk de wapens opnam tegen de slavernij.

Uit de slavernij van de late oudheid, het kolonaat en de colleges, de lijfeigenschap en het gildewezen konden geleidelijk en betrekkelijk ongehinderd ontstaan. Zij zouden kenmerkend worden voor het middeleeuwse en vroegmoderne Europa en de samenleving vormgeven tot aan het begin van de moderne tijd.

 

(Ch. Sch.)