Naast de wereldberoemde universiteiten van Oxford en Cambridge is er een derde instelling in Engeland, veel jonger, maar net zo eerbiedwaardig en erkend als de eerste twee.

 

Al in de 16e eeuw wilde koning Hendrik VIII hier een universiteit stichten. Maar hij faalde, net als Oliver Cromwell ongeveer honderd jaar later, en het zou tot het begin van de 19e eeuw duren voordat de Universiteit van Durham haar deuren opende.

Pas in 1832 werd de universiteit (samen met een college) opgericht bij een wet van het parlement en in 1837 kreeg ze het Royal Charter (een onderscheiding van de Britse koning die het orgaan een speciale status gaf).

 

De universiteit verhuisde vervolgens naar Durham Castle, dat eerder als bisschopswoning had gediend.

In 1846 werd de zogenaamde “Bishop Hatfield’s Hall” ingehuldigd, die voor het eerst in de Engelse geschiedenis zorgde voor betaalbare accommodatie en volpension voor studenten.

Er werd echter verwacht dat de studenten een dienaar zouden meebrengen om te zorgen voor het fysieke welzijn en de persoonlijke behoeften van de student.

 

In de loop van de tijd werd de universiteit enorm uitgebreid, rond 1852 door een medische faculteit of 1871 door het “College of Physical Sciences”.

Vandaag de dag is de universiteit, samen met Oxford en Cambridge, een van de toonaangevende instellingen in haar land en werd in 2005 door de Sunday Times uitgeroepen tot Britse “University of the Year”.